Brussels Studies is een kosteloos elektronisch wetenschappelijk tijdschrift dat op grote schaal wordt verspreid en onderzoek over Brusselse aangelegenheden promoot zonder onderscheid naar discipline of taal.difference between spotting and period
Brussels Studies is vernieuwd voor twee jaar: een nieuwe tweejarige overeenkomst werd gezamenlijk ondertekend door de redactie van Brussels Studies (Université Saint-Louis - Bruxelles) en Innoviris, het Brussels Instituut voorperiod after miscarriage Onderzoek en innovatie. Deze nieuwe twee-jarige overeenkomst is de vierde opeenvolgende voor Brussels Studies.uterus size
Dit artikel sluit aan op een studiebezoek van de auteur in het kader van een vergelijking tussen Brussel en Washington. Het artikel toont aan dat de metropolitane benadering die thans voor Brussel wordt gevolgd, zeer atypisch is in vergelijking met de literatuur of het Amerikaanse voorbeeld van Washington, DC en veeleer voortvloeit uit een typisch Belgisch compromis dan uit de toepassing van klassieke modellen voor metropolitane samenwerking, die vaak de klemtoon leggen op het voluntarisme van de verschillende actoren. In het Brussels geval wordt de Hoofdstedelijke Gemeenschap “van bovenaf” opgelegd, ook al werd daarop aangedrongen door een aantal partijen die deelnamen aan de onderhandelingen over de federale staatshervorming. In tegenstelling tot wat in Amerika het geval is, heeft de federale overheid in geen enkele stimulans voorzien. De Brusselse Hoofdstedelijke Gemeenschap is dan ook een structuur sui generis, omdat ze niet bestemd is voor andere grote steden van het land, terwijl voor de metropolitane organisatie van Washington enkel een regel wordt toegepast die voor alle grote Amerikaanse steden geldt. De vergelijking legt ook de nadruk op de tijd die nodig is om samenwerking tot stand te brengen. In Washington bestaat er al meer dan 60 jaar een traditie van metropolitaan overleg, die geleidelijk tot stand is gekomen, te beginnen met de gebieden waar dat het meest voor de hand lag, namelijk het openbaar vervoer.
Het concept 'sociale gemengdheid' maakte weer opgang in het midden van de jaren 1990 en kreeg in het begin van de jaren 2000 concreet gestalte in het beleid tot “versterking van de sociale cohesie”. Sindsdien is het concept het parool geworden van de openbare stedelijke ontwikkeling in Brussel, zoals overal in Europa het geval is. Enerzijds schetst deze bijdrage de politieke en ideologische context van de sociale gemengdheid en anderzijds tracht ze aan te tonen wat in het geval van Brussel concreet verstaan wordt onder het project voor sociale gemengdheid – de plannen, de instrumenten en wat niet gezegd wordt – en waar het echt om gaat in dit beleid voor stedelijke ontwikkeling.
Dit artikel combineert de conclusies van twee doctoraatsonderzoeken en is het resultaat van een algemenere studie over de elites in de stad. Twee sociologen schetsen er de planning van de uitbreiding van de stad door de wegeninspectie in de 19e eeuw en de aanleg van de metro door de Bijzondere Studiedienst van de MIVB in de 20e eeuw. Achter de schermen van de overheidsdiensten stellen ze, na analyse van de interne archieven van de administratie (briefwisseling, rapporten, nota's en omzendbrieven), vast dat de ambtenaren en meer bepaald de technische overheidsdiensten in hun eigen tempo, stap voor stap, grote projecten uitvoeren. Ze beschouwen de tijd als een tactisch en flexibel gegeven dat ze manipuleren om de uitbreiding van de stad te bevorderen en de betrokken actoren daar op onomkeerbare wijze bij te betrekken. De twee onderzoeken, die nochtans tegelijk uitgevoerd werden, komen allebei tot de conclusie dat het idee dat Brussel vooral behoefte heeft aan grootse visies en een sterk gezag om de grote stedenbouwkundige uitdagingen te kunnen aannemen, ter discussie moet worden gesteld. Op basis van de lessen die uit de geschiedenis van de organisaties kunnen worden getrokken, stellen de auteurs als alternatief voor om in de eerste plaats de technische diensten, hun knowhow en hun vermogen om als bemiddelaars onder de loep te nemen.
Aansluitend op een veldenquête in wijken en scholen van de arme halve maan van Brussel bij migrantenjongeren en jongeren met Afrikaanse roots (Marokko en subsaharaans Afrika) analyseert dit artikel de zoektocht van de ondervraagde jongeren naar een rationele verklaring voor de discriminaties en onrechtvaardigheden die ze ervaren. Discriminaties en institutioneel geweld hebben immers niet alleen rechtstreekse gevolgen, onder meer voor hun maatschappelijk succes, maar ook repercussies voor hun zelf- en wereldbeeld. De opeenstapeling van discriminaties en xenofobe reflexen, vooral wanneer die uitgaan van het establishment, wordt door sommige jongeren geïnterpreteerd als het gevolg van een complot, verscherpt het gevoel van « wij tegen hen » en versterkt het wantrouwen.
De toename van het aantal dakloze vrouwen is een thema dat al verschillende jaren opduikt in het openbaar discours en onderzocht moet worden. Daartoe baseert de analyse zich op de gegevens van twee sleutelactoren uit de Brusselse daklozenopvang, het nachtasiel Hoeksteen en de Samusocial, die aangevuld worden met de door La Strada gecentraliseerde statistieken. De stelling dat het aantal dakloze vrouwen toeneemt lijkt gegrond wat de absolute cijfers betreft, maar de toename in relatieve cijfers is veel minder duidelijk. Het aantal dakloze vrouwen is inderdaad toegenomen in bepaalde opvangdiensten, maar dat komt vooral omdat de daklozenpopulatie in het algemeen is toegenomen.
Afgezien van een cijferanalyse strekt het artikel ertoe de opvang van dakloze vrouwen, die in grotere mate een beroep doet op informele netwerken en hen systematischer doorverwijst naar de opvangtehuizen, beter in kaart te brengen. De classificatie van de daklozen komt eveneens aan bod. Tot slot worden de gevolgen en de impact van het beeld van de vrouw op het institutionele opvangnet behandeld.
Vereist het welslagen van het “grootstedelijk” project voor Brussel de opheffing van de gemeenten of een drastische inperking van hun bevoegdheden? In het debat tussen “regionalisten” en “municipalisten” gaat het hard tegen hard. Via een juridische analyse worden denksporen aangereikt om een einde te maken aan deze “loopgravenoorlog”. De Grondwet en het Europees Handvest inzake lokale autonomie bieden daartoe immers een reflectiekader. Het recht legt geen enkel scenario op, maar verplicht de wetgever ertoe na te gaan of het Gewest en de gemeenten kunnen samenwerken met eerbiediging van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel. Op die basis stelt het artikel vier vragen. Oefent het Gewest zijn cohesie- en coördinatiebevoegdheid ten volle uit? Zijn de gemeenten als bestuurlijke instelling zo efficiënt mogelijk georganiseerd? Moet de samenwerking tussen de gemeenten niet worden herzien om de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren en tegelijk de kostprijs ervan te verminderen? Deze reflectie opent denksporen om de organisatie van de instellingen te rationaliseren en samenwerking te bevorderen.
In de « ecotoon » van het Zoniënwoudmassief, is het niet aangewezen om het woud te bekijken als een « natuur » die onafhankelijk is van de stedelijke dynamiek. In dit deel van de agglomeratie gebeuren het optrekken van constructievormen niet volgens isotrope cirkels rondom een enig centrum gevormd door de Vijfhoek. Die ontwikkeling werd ook beïnvloed door een tweede element waaraan de Vijfhoek historisch verbonden is : het woud zelf. Dit artikel geeft een chronologisch overzicht van de invloeden die er waren tussen het woud en de stedelijke vormen en de woonpraktijken die vandaag geassocieerd worden met de Brusselse agglomeratie. Ten eerste werpt het artikel een licht op de asymmetrie in de activiteiten en de constructies die het woud in het Ancien Régime teweeg bracht. Daarna wordt de balans opgemaakt van de rol die het woudmassief speelde in het verstedelijkingsproces in het zuidzuidoosten van Brussel in de 19e en 20e eeuw. Tot slot verduidelijkt het artikel de impact van die interacties op de opbouw van het woudlandschap en op het beheer ervan, om af te sluiten met een stellingname over de manier waarop het woud vandaag benaderd moet worden.
De studie van de repressie van het verzet tegen de ordediensten op het Brussels grondgebied in de periode van 1945 tot 1975 ontkracht de hypothese dat dit fenomeen toe te schrijven zou zijn aan revolterende jongeren. Integendeel, de analyse van de gerechtsdossiers wijst erop dat de weerspannigheid voortvloeit uit de bemoeienissen van de politie met conflicten in de privésfeer. Mannelijke dertigers die meestal uit achtergestelde bevolkingsklassen komen, palmen in hun vrije tijd de openbare en semiopenbare ruimten (straat en cafés) van de Brusselse verstedelijkte gemeenten in. Hun gewelddadige interacties met hun kameraden of echtgenotes – een manier om hun mannelijkheid te bevestigen of een uitlaatklep voor hun frustraties – storen de vertegenwoordigers van de openbare macht die de normen van de gegoede burgerij verdedigen en ingrijpen om de orde te herstellen. Actoren met verschillende gedragingen komen met elkaar in aanvaring in de openbare ruimte en trachten hun manier van zijn op te leggen. Het optreden van de politie werkt de criminalisering van de volkse vormen van sociaal leven en ontspanning mede in de hand.
Deze bijdrage wil de samenhang tussen de migratie- en religieuze trajecten van de predikanten van vier Brusselse Pinkstergemeenschappen onderzoeken. Ze doet dat door de ruimtelijke en identiteitsaspecten van de verplaatsingen van de actoren grondig te bekijken. Aan de hand van een analyse van de verhalen van de predikanten, die ons een beeld gaven van hun omzwervingen van Subsaharaans Afrika of Latijns-Amerika tot in België, krijgen we inzicht in de vermenging van geografische verplaatsingen en « goddelijke » tussenkomsten. Op basis daarvan kunnen we nadenken over een dubbel proces dat zowel mobiliteit als religie impliceert. Eerst en vooral willen we begrijpen hoe de Pinksterbeweging deze migratie-ervaring omvormt, door deze ervaring alternatief te verwoorden. Daarnaast willen we de invloed van deze ervaring op het discours en op de religieuze praktijken beschrijven in de vestigingscontext, meer bepaald doorheen de identiteitsprocessen van de « kinderen van God ».
De jaren 1880 tot 1890 waren doorslaggevend voor de Brusselse stedenbouw en de artistieke erkenning van de fotografie. De grote werken die Leopold II liet uitvoeren, waren bepalend voor de stadsidentiteit van Brussel. Tegelijkertijd veranderde het statuut van de beoefenaars van de fotografie. De pioniers van de voorgaande generatie werden vervangen door een generatie amateurfotografen - in de edele zin van het woord - die fotografie als een volwaardige en op zichzelf staande kunst verdedigden. Ze sloten zich aan bij een internationale stroming, die in het midden van de jaren 1880 opdook onder de naam “Picturalisme”, de schilderkunst als model nam en voorrang gaf aan tijdloze onderwerpen. De relatie tussen de stad en de fotografische weergave ervan veranderde en de stad en de stedelijke rand werden meer beschouwd als een landschap. Het aantal persoonlijke standpunten over het stedelijk landschap nam toe, aangemoedigd door de kringen voor kunstfotografie, die zich verenigden in de Association belge de Photographie.
Dit artikel komt terug op de nog niet beslechte discussie tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de NMBS over de aanleg van nieuwe stedelijke stations in het kader van het GENproject. Het is onze bedoeling om een objectieve en geüpdatete evaluatie (of op zijn minst een duidelijke evaluatie volgens een transparante methode) te maken van het nut van die stations. Na een voorstelling van de problematiek en een bespreking van de mogelijke methodes presenteren we een berekening van het potentieel van elk station dat in de verschillende planologische documenten van het Brussels Gewest wordt voorgesteld. Zodoende tonen we aan dat de meeste van die stations nuttig zijn en dat een groot deel ervan zelfs nuttiger is dan de bestaande secundaire stations in Brussel. De stations met het grootste potentieel zijn echter vaak de stations die technisch gezien het moeilijkst kunnen worden aangelegd en omgekeerd. Afgezien van de objectieve resultaten benadrukken we eveneens dat de beslissing om een station (weer) in gebruik te nemen in fine in de eerste plaats afhangt van het beleid, dat zelf de weerspiegeling is van de mate waarin rekening wordt gehouden met uitdagingen van verschillende dimensies en aard. Dat wordt aangetoond door enkele casestudy's die we toelichten.